Artikel 1 'gemajoreerd'

2 maart 2018, column J.Th.J. van den Berg

Kort geleden hield de minister van BZK, Kajsa Ollongren, in Nijmegen de ‘Burgemeester Daleslezing’, genoemd naar haar legendarische voorganger als minister, daarvoor een even legendarische burgemeester van Nijmegen. In haar rede ging de minister in op de betekenis van de Grondwet voor het maatschappelijk leven; daarbij stelde zij artikel 1 (het ‘gelijkheidsartikel’) centraal.

Vooropgesteld, Ollongren hield een bezield en interessant verhaal, waarin zij er ook van getuigde zichzelf te zien als de ‘minister van de Grondwet’ die zij volgens traditie is. Haar rede was tegelijk een openhartige confrontatie van haar persoonlijke achtergrond (vrouw, van Zweedse herkomst, homoseksueel) en de Grondwet.

Haar toespraak werd een lofrede op de Grondwet in meer algemene zin, die zij beschreef als ‘de zuurstof voor onze identiteit, voor al wat het leven in dit land zo mooi maakt: gelijkheid, vrijheid en tolerantie’. Zo veel trots op onze Grondwet is niet gebruikelijk. Wat haar betoog een gevoel van ongemak bezorgde, is dat die hulde misschien iets te veel van het goede was. Bovendien valt over haar interpretatie van artikel 1 te twisten.

In januari heb ik in deze rubriek proberen duidelijk te maken dat onze Grondwet, dankzij de herzieningsarbeid die leidde tot de tekst van 1983, een nogal kaal geslagen werkstuk is geworden 1). Er staat heel veel niet in wat de meeste burgers (ook de minister?) verwachten dat er in staat. Met veel goede wil kan je er in lezen dat wij een democratie vormen en tegelijk een rechtsstaat, maar het staat nergens. Vanaf het werk aan de herziening, die in 1983 haar beslag heeft gekregen, is er juist aan gewerkt de Grondwet zoveel mogelijk te ontdoen van zulke idealen. Dat was al de doctrine die oude grondwetsschrijvers als Van Hogendorp (1814) en Thorbecke (1848) erop na hielden. Maar de werkers aan de Grondwet van 1983 hebben op die ‘soberheid’ nog eens flink opnieuw hun best gedaan. Het was vooral aan de Tweede Kamer te danken dat die kaalslag niet volledig werd.

De Grondwet is dus een stuk minder mooi en inspirerend dan de minister haar voorstelt. Daarmee vertelde zij in Nijmegen geen onzin, maar zij zou er wijs aan hebben gedaan het woord ‘Grondwet’ te vervangen door ‘constitutie’, omdat de Nederlandse constitutie heel veel meer omvat dan alleen de tekst van de Grondwet 2). Zij gaat over veel wetgeving en over staatsrechtelijke conventies, alsmede – merkwaardigerwijze zweeg de minister daarover – internationale en Europese (mensenrechten)verdragen. De Grondwet is daar maar een onderdeel van, hoewel je zou wensen zij er het soort van inspirerend onderdeel van was, dat de minister erin ziet.

Er zit nog een merkwaardige trek aan het verhaal van de minister. Dat zij aandacht vraagt voor artikel 1 van de Grondwet is haar goed recht, maar zij doet er iets mee wat het artikel tot veel meer maakt dan het is. Zij bespreekt het als een soort samenvatting van al wat er aan grondrechten op volgt, terwijl het dat niet is. Het artikel proclameert niet meer en niet minder dan dat ieder die zich in Nederland bevindt ‘in gelijke gevallen gelijk wordt behandeld’. Het lijkt wel alsof alleen het tweede deel van de uitdrukking (gelijke behandeling) wordt gelezen en niet ook het eerste deel (in gelijke gevallen). De bedoelde gelijke behandeling geldt trouwens voor ieder die zich hier bevindt, ook de buitenlandse toerist. Uit de Grondwet blijkt verderop dat heel veel bepalingen en rechten alleen gelden voor Nederlanders (toegang tot het publieke ambt, bij voorbeeld) en andere voor ‘ingezetenen’, dus ook voor buitenlanders die hier legaal verblijven.

Het is het tweede deel van artikel 1, met het bekende discriminatieverbod dat voor veel mensen de betekenis van de eerste zin waarschijnlijk zo ‘majoreert’ tot gelijkheid voor allen.

Je zou ook nog kunnen zeggen: dat komt ervan als je geen preambule wil. Juridisch niet-ingevoerde lezers gaan dan als vanzelf artikel 1 lezen alsof het een preambule is, die aan al het erop volgende een betekenis toekent die het anders niet zou hebben. Regering en parlement werken nu aan zo’n preambule 3). Wie weet, komt dan ook artikel 1 weer in het juiste kader te staan en niet belangrijker gemaakt dan de artikelen over vrijheidsrechten die erop volgen.


  • 1) 
    J.Th.J. van den Berg, ‘Naar een andere Grondwet’, column Parlement en Politiek, 5 januari 2018.
  • 2) 
    J.Th.J. van den Berg, ‘De Nederlandse Constitutie’, column Parlement en Politiek, 4 juli 2008.
  • 3) 
    In parlementaire behandeling is op dit ogenblik de volgende tekst: ‘De Grondwet waarborgt de grondrechten en de democratische rechtsstaat’.

Deel deze pagina via

Stuur door via mail

Recente columns

  • Einde aan de fictie

    15-06-2018, B.H. (Bert) van den Braak

    Het wordt tijd de onbevredigende procedure voor grondwetsherziening te vervangen.

  • Een steeds complexer ambt

    08-06-2018, J.Th.J. (Joop) van den Berg

    Wat de een niet heel belangrijk noemt, noemt de ander topsport: het Kamervoorzitterschap.

  • Het betere oordeel?

    01-06-2018, B.H. (Bert) van den Braak

    Betekent een krappe meerderheid in het parlement dat juist dan de bevolking nog moet oordelen?

  • Kloof? Wat voor kloof?

    25-05-2018, J.Th.J. (Joop) van den Berg

    Als het aan de media ligt, komen wij nooit van ‘de kloof’ af. Maar waar is die kloof dan?

  • Jeroen en de rebellenclub

    18-05-2018, B.H. (Bert) van den Braak

    De gang van zaken rond de opvolging van Donner als vicepredident roept vragen op, maar andere dan gedacht.

  • Een paradoxale beschermer van de democratie

    11-05-2018, J.Th.J. (Joop) van den Berg

    De SGP is in honderd jaar niet minder principieel geworden, wel intellectueel minder star.

  • (On)vrede

    04-05-2018, B.H. (Bert) van den Braak

    Ook het accepteren van democratische besluiten is onderdeel van de bevochten democratie.

  • In tweede lezing

    30-04-2018, J.Th.J. (Joop) van den Berg

    Tweede en Eerste Kamer denken duidelijk verschillend over behandeling van grondwetsvoorstellen in tweede lezing.

  • Het 76e lid

    20-04-2018, B.H. (Bert) van den Braak

    Het mogelijk teloorgaan van de parlementaire meerderheid die het kabinet heeft, wordt nogal overschat.

  • Wie is de beul?

    13-04-2018, J.Th.J. (Joop) van den Berg

    In Groot-Brittannië beslist de Prime Minister over het lot van individuele bewindslieden, maar wie doet dat in Nederland eigenlijk?

Print deze pagina