Het slechte geheugen van de Tweede Kamer

17 mei 2013, column J.Th.J. van den Berg

Er zijn tijden geweest, dat een minister of staatssecretaris slechts in zijn bestaan werd bedreigd, als ofwel zijn collegae ofwel een meerderheid van Eerste of Tweede Kamer het met zijn beleidsvoornemens niet eens was. Ontslag van een minister deed zich dan ook vooral voor, als hij zijn zin niet kreeg tijdens de behandeling van wetsvoorstellen of bij de begrotingsbehandeling. Dit soort conflicten komt in het parlement echter nauwelijks meer voor. Dat kan ook moeilijk, omdat bijna alle belangrijke beleidsvoornemens onderdeel zijn geworden van het regeerakkoord en vervolgens tot het gezamenlijke kabinetsbeleid zijn gaan behoren. Als nu een minister of staatssecretaris problemen krijgt in een der beide Kamers, weet hij (of zij) zich meestal gesteund door het kabinet als geheel. Een ministerscrisis dreigt dan al gauw uit te groeien tot een kabinetscrisis. Daar zit niemand op te wachten, tenzij coalitiepartners sowieso genoeg van elkaar hebben.

Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw was een ministerscrisis die product was van een falende uitvoering van regeringsbeleid een hoge uitzondering. Niet dat dit falen niet voorkwam, maar het leidde doorgaans niet tot aftreden van de minister of staatssecretaris. In de laatste decennia is de belangstelling van parlementariërs voor min of meer ernstige gebreken in de uitvoering van beleid veel groter geworden. Op zichzelf is dat geen wonder, want het maken van regels is nog relatief eenvoudig, maar de goede vorm vinden voor een geslaagde uitvoering is intussen veel ingewikkelder geworden.

Derhalve wil er in de uitvoering, hetzij door het ministerie zelf, hetzij door een ander bestuursorgaan, nog wel eens iets helemaal misgaan. In veel gevallen gaat het om onvoorziene en vaak ook onvoorzienbare gevolgen van het beleid. Als de uitvoering bij het ministerie zelf ligt, dan is de minister staatsrechtelijk verantwoordelijk, ook al heeft hij zelf niet geweten dat de zaken niet goed liepen. Meestal weten de ambtenaren het wel en dan ‘weet’ de minister ‘het’ staatsrechtelijk ook. Niet altijd betekent dit dat de Kamer zijn of haar aftreden eist, dat hangt van allerlei factoren af. De verantwoordingsplicht is een zaak van staatsrecht; de vraag naar het vertrouwen is een politieke kwestie.

Steeds vaker komt het echter voor dat regering en parlement de risico’s van de uitvoering wel degelijk vooraf kenden, maar niettemin de nieuwe regelgeving doorzetten, waarschijnlijk in de hoop dat het allemaal zou meevallen. Als het dan niet meevalt, weten de oorspronkelijke regelgevers nergens meer van. Een bewindsman kan dan pijnlijk met de vingers tussen de wringer komen. Dat is wat staatssecretaris Frans Weekers is overkomen met de wetgeving op de toeslagen, uit te voeren door de Belastingdienst, die vóór 2006 alleen incasseerde en eventueel later terugbetaalde of terugvorderde. Van meet af aan werd door diverse partijen gewaarschuwd voor de hoge fraudegevoeligheid van dit in 2006 ingevoerde stelsel: er werd immers eerst op aanvraag uitgekeerd en pas na geruime tijd gecontroleerd.

Dat is nog tot daaraan toe, als het gaat om de eigen inwoners, die doorgaans wel te vinden zijn. Gaat het om buitenlanders, dan wordt het veel moeilijker fraudeurs effectief te vervolgen. Dat was allemaal vooraf bekend en voor de PvdA was het destijds zelfs reden het systeem af te wijzen. (Intussen werkt zij er braaf aan mee.) De VVD voelde er aanvankelijk ook weinig voor maar accepteerde in 2006 de zware druk tot medewerking van het CDA. Ook toen was er al een CDA-Kamerlid, genaamd Omtzigt. Die was toen erg voor, maar wilde daar in recente dagen niet aan worden herinnerd. De wrange ironie van het geval is, dat de opgewekte maar niet erg hardgekookte staatssecretaris Frans Weekers de eerste is geweest, die de fraude met toeslagen echt is gaan aanpakken. Voor zover mogelijk, overigens. Van de parlementaire oppositie kreeg hij te horen dat het allemaal onvoldoende was. En dat de relatie met zijn ambtenaren zo slecht was, alsof dat niet primair te maken heeft met de fraudegevoelige wetgeving.

De staatssecretaris heeft de kritiek en zelfs een – gelet op de voorgeschiedenis nogal ridicule - motie van wantrouwen overleefd. Met zulke slechte geheugens in het parlement was het ook de plicht van de coalitie hem in bescherming te nemen.



Andere recente columns