De stille kracht van de vicepresident

21 oktober 2011, column J.Th.J. van den Berg

Op zichzelf genomen is het nogal wonderlijk dat er voor het vicepresidentschap van de Raad van State vrijwel alleen wordt gekeken naar kandidaten uit het CDA. Alsof die partij nog dezelfde dominante macht heeft die zij en haar drie confessionele voorgangsters een eeuw lang hebben uitgeoefend. Het had op zijn minst in de rede gelegen om naar een liberale kandidaat te kijken, zeker na het zware verlies van het CDA in 2010.

Dat er in de kring wordt gekeken van gezaghebbende oud-ministers of Kamerleden ligt voor de hand. Het vicepresidentschap is een ambt dat niet alleen leidinggevende kwaliteiten vergt in de Raad van State zelf, maar ook een kritische en tegelijk vertrouwenwekkende houding jegens het Koninklijk Huis en een nauwkeurig oog voor en ervaring met politieke verhoudingen.

Het mag dan waar zijn wat mijn medecolumnist schrijft: dat het gewicht van het ambt niet moet worden overschat. Waar is ook dat het in verkeerde handen vrij wat schade kan aanrichten. De belangrijkste taken oefent de vicepresident in stilte uit: in de rust van de Raad zelf, in de voortdurende communicatie met kabinet en ministers en, niet het minst, met de koningin en haar familie. Indien daartoe bekwaam is hij een belangrijke stille kracht in de politiek.

Dat een liberale kandidaat niet werkelijk ter sprake is gekomen, nadat in 1928 de laatste liberale vicepresident, W.F. van Leeuwen, het ambt door de dood beëindigde, zegt iets over de bekwaamheden van prominente leden van de VVD. Die is blijkbaar onvoldoende gebleken. Daarom mocht in de zomer dan ook VVD'er Fred de Graaf, burgemeester van Apeldoorn, voorzitter worden van de Eerste Kamer. Dus lag de weg weer open voor het CDA, dat in de twintigste eeuw in totaal gedurende 75 jaar de beschikking heeft gehad over het ambt, uitgeoefend door zes mannen, van wie vijf uit protestantse kring en één katholiek.

Maar eerst moest de geschiedenis zich nog eens herhalen, althans min of meer. In 1980 werd weliswaar Willem Scholten (CDA) vicepresident, maar dat was eerst nadat premier Van Agt een serieus aanbod had gedaan aan de toenmalige oppositieleider en oud-premier, Joop den Uyl. Die had daarvoor bedankt, zoals blijkbaar onlangs ook Job Cohen heeft bedankt voor de eer. De redenen zullen verschillen: Cohen wil niet de indruk wekken op de vlucht te slaan; Den Uyl kon zich bij dit ‘stille’ ambt niets voorstellen.

Den Uyl was, samen met nogal wat leden van de Raad, sterk geporteerd voor benoeming van een partijgenoot en toenmalig voorzitter van de afdeling rechtspraak, mr. Jo van der Hoeven. Om onnaspeurlijke redenen was die echter voor het kabinet onaanvaardbaar. Op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken werd toen in razend tempo de zittende minister Scholten tot vicepresident benoemd. Daarover was de PvdA-fractie, zacht gezegd, niet te spreken, net zo min als zij nu iets voelt voor de benoeming van zittend minister Donner. Of dat alleen met het ministerschap heeft te maken en ‘het keuren van eigen vlees’, daarover is net als in 1980 twijfel mogelijk.

Vóór Scholten waren oud-premier Beel (1959) en oud-minister Beelaerts van Blokland (1928) al direct van hun ministerie naar de Raad verhuisd. Bij Beel fungeerde de Raad zelfs even als een weerhuisje: hij werd vicepresident, vrij kort na zijn aftreden in 1956 en keerde tijdelijk terug als premier in 1958-59, waarna hij weer vertrok naar de Raad van State.

Het ambt van vicepresident leent zich niet erg voor ‘transparantie’ en dus massale openbare bemoeienis. Het leent zich al helemaal niet voor ‘open sollicitatie’, zoals oud-minister Wiegel terecht heeft opgemerkt. Als een kabinet niet weet wie er voor dat ambt geschikt zijn, deugt het niet voor zijn vak. Wie solliciteert, geeft daarmee per definitie te kennen niet voor dit ambt te deugen. Als een kabinet het wel weet, dan is er maar één juiste weg: zo snel mogelijk tot benoeming overgaan en er niet mee treuzelen als nu is gebeurd: slecht voor het kabinet, slecht voor de kandidaat en slecht voor het gezag van de Raad van State.



Andere recente columns