Gevaarlijke politisering

19 november 2010, column J.Th.J. van den Berg

Voordat in 1815 de huidige verdeling van de Staten-Generaal in een Eerste en Tweede Kamer tot stand kwam, kende Nederland al enige tijd een tweekamerstelsel: onder de Staatsregeling van 1798, onze eerste Grondwet. Zo lang als deze Staatsregeling gold – van 1798 tot 1801 – was de Eerste Kamer van de Bataafse Republiek het best te vergelijken met onze huidige Tweede Kamer en omgekeerd.

Het verschil tussen de constitutionele verhoudingen aan het einde van de achttiende eeuw en die van nu is dat de toenmalige Tweede Kamer het niet kon laten zich gedetailleerd met elk wetsvoorstel bezig te houden en het nogal vaak afwees. Dat mocht twee keer, maar de derde maal was een meerderheid van twee derden nodig om een voorstel nog af te kunnen wijzen. Meestal kwam het daar niet van. Inmiddels was immers duidelijk dat de ‘echte’ volksvertegenwoordiging er genoeg van had. Meestal was er ook veel tijd verloren gegaan. De verhoudingen tussen beide Kamers waren, met andere woorden, nogal gepolitiseerd.

De eerste Staatsregeling heeft geen lang leven gehad. Dat had diverse oorzaken, maar een ervan was de gepolitiseerde relatie tussen Eerste en Tweede Kamer. De nieuwe grondwetgevers vonden één Kamer vanaf 1801 meer dan genoeg. Zij konden al slecht wennen aan parlementaire bemoeienis, maar hetzelfde ‘gezeur’ twee keer moeten meemaken was te veel van het goede.

Soortgelijke kritiek heeft het tweekamerstelsel vanaf het moment van zijn heroprichting in 1815 steeds begeleid en de kritiek op vooral de Eerste Kamer is vele malen niet mals geweest. Dat was niet zo’n wonder, omdat vooral na 1850 de Eerste Kamer nogal eens de hebbelijkheid had zich onbekommerd tegen de voorkeur aan ‘de Overzijde’ (de Tweede Kamer zat tot 1990 aan de overkant van het Binnenhof) te keren. Maar, het bleef bij incidenten en voorts was de partijgebondenheid in beide Kamers tot het einde van de negentiende eeuw van beperkte betekenis. Tweede en Eerste Kamer hadden beide ietwat onvoorspelbare trekken. Het werd pas ernst na 1918, toen werd gewerkt aan een algehele herziening van de Grondwet. Het heeft toen niet veel gescheeld of de Eerste Kamer was geëlimineerd en vervangen door het referendum.

Vanwaar die plotselinge weerzin tegen de Eerste Kamer? Dit lag sinds 1900 voornamelijk daaraan dat de partijverhoudingen in Eerste en Tweede Kamer geregeld niet met elkaar overeen kwamen: nu eens domineerden in de ene Kamer de vrijzinnige partijen en in de andere de christelijke coalitie. Dat leverde harde conflicten op tussen politieke stromingen, verschanst in verschillende Kamers. Dat kan een parlement blijkbaar niet hebben.

Hetzelfde had zich al voorgedaan tussen Lagerhuis en House of Lords in Londen, met als gevolg dat de bevoegdheden van de Lords vanaf 1911 drastisch waren beperkt. In ons land ontsnapte de Eerste Kamer aan opheffing, maar voortaan onthield zij zich van politiek rumoer en stelde zij zich bescheiden op. Uitzondering vormde het ‘onaannemelijk tractaat’ tussen België en Nederland van 1925, dat door de Tweede Kamer nog net werd aanvaard maar door de Eerste Kamer werd afgewezen.

Tegengestelde meerderheden in Eerste en Tweede Kamer zijn in het algemeen al niet gunstig voor ordelijke politieke besluitvorming, maar als die meerderheden politiek gaan opspelen wordt het riskant. De Tweede Kamer verdraagt het nog, als de collegae in de Eerste Kamer af en toe van haar afwijken. Als er echte politieke tegenstellingen gaan ontstaan en vooral als de Eerste Kamer die gaat ‘uitserveren’, moet de senaat ernstig rekening houden met georganiseerde wraak bij de Tweede Kamer, in welke samenstelling ook. Haar voortbestaan komt dan gemakkelijk in gevaar.

De coalitie van VVD, PVV en CDA moge in de Eerste Kamer geen meerderheid hebben, dat is nog geen reden om daar een soort georganiseerde oppositie tegen te beginnen. Zelfs niet als er na de Statenverkiezingen van komend jaar geen meerderheid voor de coalitie zou zijn. De Eerste Kamer doet er wijs aan het hoofd koel te houden en bij het oordeel over afzonderlijke wetsvoorstellen te blijven. Zij kan politisering en bijbehorende onrust beter aan de Tweede Kamer overlaten, in plaats van haar eigen voortbestaan te riskeren. De Eerste Kamer is kwetsbaarder dan zij denkt.



Andere recente columns